Het stelen van de kerkklokken

Over dit verhaal

Door de oorlog wordt het steeds stiller op straat, zelfs de klokken luiden niet meer: de Duitsers vorderen in Nederland duizenden kerkklokken. Ze worden omgesmolten voor de oorlogsindustrie. In het voorjaar van 1943 moeten de Hoornse klokken eraan geloven.

Halverwege WOII raken de metalen op in de Duitse oorlogsindustrie, maar er zijn meer kanonnen, kogels, bommen en tanks nodig. De bezetter komt met een metaalverordening en vordert ook de klokken. Door de landelijke klokkenroof verdwijnen in Nederland duizenden klokken uit kerktorens. Op enkele uitzonderingen na worden zelfs de prachtigste middeleeuwse klokken meegenomen en omgesmolten. Johan Christiaan Kerkmeijer moet assisteren bij de vordering van de Hoornse klokken. Een zware taak voor de oprichter van stichting Oud Hoorn, die als levensdoel heeft het Hoornse erfgoed te bewaren en bewaken. Kerkmeijer probeert nog in overleg met waarnemend burgemeester Schottee de Vries een aantal klokken te redden, maar tevergeefs.

Twee klokken ontspringen wel de dans. Het kleine klokje in de toren van de Oosterkerk, rond 1450 gegoten door de Utrechtse klokkengieter Buitendiic, is voor het uitbreken van de oorlog aangemerkt als onvervangbaar historisch erfgoed. En in de Noorderkerk lukt het niet om een klok uit 1606 door de spijlen van het torentje naar buiten te halen. In totaal worden 51 kerk- en andere klokken gevorderd. Naast de klokken uit onder andere de Hoofdtoren, de Oosterkerk en het Statenlogement wordt ook het totale carillon van de Grote Kerk geroofd. De 39 klokken zijn dan net nieuw, ze hangen er pas sinds 1939. Middels een inzamelingsactie is met dubbeltjes en kwartjes door de Hoornse inwoners gespaard voor dit nieuwe carillon, ter vervanging van het carillon dat in 1838 verwoest werd door een brand. In maart 1943 halen de Duitsers ook deze klokken uit de toren. Dat gaat niet bepaald zachtzinnig, is in het dagboek van Kerkmeijers vrouw, Christine Kerkmeijer-de Regt te lezen.

Het nieuwe carillon arriveert bij de kerk, een jaar voor de oorlog uitbreekt.

Uit het dagboek van Christine Kerkmeijer-de Regt:

“9 Maart. Men is begonnen de klokken weg te halen. Eerst vandaag die van de RK Kerk aan het Grote Noord. Het zijn Hollandse werklieden, echte ruwanen, zoals mijn man zegt. Ze breken doodkalm de toren stuk om de klokken er uit te kunnen halen. Mijn man is direct aan het proberen de oude te redden; tot nu toe lukte dit niet, al heeft hij er steeds over gecorrespondeerd met degene, die in Noord-Holland de leiding in handen heeft van de redding en het onderzoek, wel te verstaan mr. Belonje te Alkmaar.
11 Maart. Uit het klokkentorentje (van de Hoofdtoren -red) is natuurlijk ook doodkalm een stuk gezaagd, omdat de klokken er anders niet door konden.”

Maar Hoorn heeft hart voor haar klokken. Zelfs al voor het einde van de oorlog worden er door de Hoornse carillonvereniging plannen gesmeed om opnieuw een carillon te schenken aan de gemeente Hoorn via een inzamelingsactie. En direct na de bevrijding begint een uitgebreide speurtocht naar het gestolen goed. Wonder boven wonder worden de twee klokken uit de Hoofdtoren teruggevonden. Op 4 juli 1945 keert de veermansklok (gewicht 95 kilo) terug in Hoorn, een geschiedkundig waardevolle klok uit de 16e eeuw. Deze is niet in de smeltoven, maar in een toren van Nederhorst den Berg beland. Ook de heelslagklok uit de Hoofdtoren (710 kilo) wordt teruggevonden in Den Haag en komt op 3 juli 1946 weer naar Hoorn. Het lijkt erop dat alle klokken van Hoornse carillon wel in de smeltoven zijn beland, maar dan vindt men in Duitsland grote hoeveelheden stukgeslagen klokken. Tussen al die scherven, die naar Rotterdam worden vervoerd, vind men nog 25 gave klokjes, waarvan er 13 uit Hoorn komen! Uiteindelijk worden er in totaal 16 klokken van het carillon teruggevonden.

Kerkmeijer (links) in 1950 bij de pas gearriveerde klokken.

‘Gaat men wel metaal vrijgegeven voor een nieuw carillon?’, vraagt het bestuur van de Hoornse carillonvereniging zich direct na de oorlog af. Metaal wordt immers nu als luxe beschouwd. Maar Kerkmeijer legt er de nadruk op dat kunst geen luxe is, maar een levensbehoefte. Opnieuw geven de inwoners van Hoorn massaal geld voor de klokken en zo wordt in 1950 een carillon van 42 klokken in gebruik genomen. Daarin zijn 15 klokken uit het voormalige klokkenspel opgenomen, de 16e klok was zo beschadigd dat deze opnieuw gegoten moest worden. Vanaf dat moment klinkt Hoorn weer als een klok.