David en Louisa Trompetter werden vermoord door de nazi’s; hun kinderen overleefden de oorlog

De Joodse handelaar in wol en huiden David Trompetter en zijn (tweede) vrouw Louisa Bremer uit Hoorn trof het lot van meer dan honderdduizend Nederlandse Joden. Zij werden door de nazi’s vermoord. David en Louisa overleden beiden op 4 juni 1943 in de gaskamers van Sobibór. Hun kinderen Regina en Eduard overleefden de oorlog.
David Trompetter, in 1883 geboren in Hoorn, trouwt met de uit Medemblik afkomstige Henriëtte Koster (1877). Zij overlijdt in 1917 op 39-jarige leeftijd. David en Henriëtte hebben inmiddels twee jonge kinderen: Regina (1910) en Eduard (1912), dan zeven en vijf jaar oud.
In 1918 hertrouwt David met de twee jaar oudere Louisa Bremer (1881). Zij was huishoudster in het gezin. David heeft samen met zijn zakenpartner Wijnberg een handel in wol en huiden: de N.V. Hollandsche Huiden- en Wolhandel en Vellenblooterij. Het bedrijf is gevestigd op de Varkensmarkt, nu Dubbele BuurtVale Hen. Het gezin Trompetter woont vlakbij, eerst op de Dubbele Buurt 9, later aan het Breed 10. David is naast zijn handel in wol en huiden maatschappelijk actief. Hij is een gerespecteerd man en zit in diverse comités en stichtingen.
Louisa Trompetter-Bremer is de op een na jongste uit een gezin van twaalf kinderen. Allemaal zijn ze in Hoorn geboren. Louisa heeft twee broers en negen zussen. Haar beide broers en vijf van haar zussen worden vermoord in Auschwitz en Sobibór.
De verplichte registratie van Joden
Op 10 januari 1941 komt het bevel van de Duitse bezetter dat alle Joden of personen met ten minste één Joodse grootouder zich bij het bevolkingsregister melden en zich daar tegen betaling laten registreren. Registratie kost een gulden. Vrijwel alle Joden geven er gehoor aan, ook die in Hoorn.

Regina en Eduard getrouwd
Niet alleen David en Louisa staan op deze lijst, ook hun kinderen Regina (1910) en Eduard (1912). Beiden zijn inmiddels getrouwd. Regina trouwt in 1931 met de Joodse handelaar in brandstoffen Louis van Kleef (1902-1961). Davids schoonzoon is een man in goeden doen, dankzij het bezit van onroerend goed en een goede hand van beleggen.
Regina en Louis wonen met hun in 1934 geboren dochter Henriëtte (Jet) op de Vischmarkt nummer 5. Tijdens de oorlog neemt Louis zijn zieke moeder in huis: Leentje Van Kleef-Bremer.
Eduard huwt in 1936 de niet-Joodse Marie (Rie) van Schaik (1910-1986). Het stel krijgt drie kinderen: twee dochters (geboren in 1938 en 1945) en een zoontje dat in 1944 wordt geboren en in datzelfde jaar sterft. De jongen wordt naar zijn Hoornse grootvader vernoemd: David Gerrit. Eduard en Rie wonen op de Koepoortsweg 34. Eduard werkt in het bedrijf van zijn vader.
Nieuwe anti-Joodse maatregelen
In augustus 1941 moeten Joden hun banktegoeden verplicht overmaken naar de door de Duitsers overgenomen Lippmann-Rosenthalbank. Op 15 september 1941 verordonneren de Duitsers dat Joden hun grond- en huizenbezit moeten laten registreren bij de Niederländische Grundstücksverwaltung. Dat is een Duitse rooforganisatie die de bezittingen gaat verkopen. De handel in wol en huiden van David moet worden geleid door een niet-Jood, een zogeheten Verwalter. Eduard mag in het bedrijf blijven werken, omdat hij gemengd gehuwd is.
David raakt zijn huis aan het Breed 10 kwijt, evenals zijn bedrijfspanden en twee panden aan de Westerdijk.
Davids schoonzoon Louis en zijn dochter Regina raken door deze maatregel eveneens al hun onroerend goed kwijt. Hun huis aan de Vischmarkt en een aantal panden in de Wijdesteeg en een pand aan de Vijzelstraat. Zijn geld en kostbaarheden heeft Louis verstopt.
Gedwongen vertrek naar Amsterdam
Begin 1942 begint de gedwongen verhuizing van alle Noord-Hollandse Joden naar een van de vier Joodse wijken in Amsterdam. Van daaruit zullen ze eerst worden gedeporteerd naar werkkamp Westerbork in Drenthe en daarna naar “werkkampen” in Duitsland en Polen.
Op 20 april 1942 zijn de Hoornse Joden aan de beurt, evenals die van Enkhuizen en Schagen. Die dag – de verjaardag van Hitler – vertrekt een groep van ongeveer achttien Joodse inwoners om 12.18 uur met de trein naar Amsterdam. Ook David en Louisa zijn erbij.
De bekende Hoornse Christina Kerkmeijer-De Regt ziet de groep vanuit haar huis aan de Noorderstraat vertrekken. “Er stonden heel wat mensen aan het station en ze werden nagewuifd”, schrijft ze op 20 april in haar dagboek. “We kwamen langs het huis van Trompetter op het Breed no. 10, het is verzegeld. Ze hebben maar een heel klein beetje mee mogen nemen, de rest van hun inboedel wordt er op een goede dag uitgehaald en dat gaat naar het Roergebied, zegt men. In ieder geval gaat het weg. Ik neem dit als voorbeeld, het is bij alle Joden natuurlijk zo.”
Bekend is dat veel van de door de Duitsers in beslag genomen Joodse goederen na het geallieerde bombardement op Keulen op 31 mei 1942 als zogeheten Liebesgaben aus der Niederlände naar de zwaar getroffen stad gingen.
David en Louisa vestigen zich in Amsterdam op het adres Amstel 163-1, een 1-kamer appartement dat ze moeten delen met een vreemde.
Omdat David vanaf 15 september 1942 een belangrijke rol speelt als lid van de Landelijke Commissie ter behartiging van de Culturele belangen der Geëvacueerde Joden in Amsterdam, worden hij én zijn echtgenote Louisa “gesperrt”.
Dit betekent dat zij beiden tijdelijk worden vrijgesteld van gedwongen deportatie naar een werkkamp. De vrijstelling wordt tussen 1942 en 1943 verleend door de Joodse Raad. Deze raad is in 1941 door de Duitsers in het leven geroepen om uitvoering van de anti-Joodse maatregelen te vergemakkelijken. Bij de laatste razzia van 29 september 1943 in Amsterdam worden ook alle medewerkers en het bestuur van de Joodse Raad opgepakt en gedeporteerd. Op die datum houdt de Joodse Raad op te bestaan. Maar vier maanden eerder is al een einde gekomen aan de tijdelijke “sperrung” van David en Louisa.
Op 26 mei 1943 worden David en Louisa op transport gezet naar Westerbork. Van daaruit worden beiden op dinsdag 1 juni 1943 gedeporteerd naar Sobibór, samen met ruim drieduizend lotgenoten. Na een reis van drie dagen komen ze aan in dit vernietigingskamp in Oost-Polen. Nog dezelfde dag worden Louisa en David daar door de nazi’s vermoord in een van de zes gaskamers. Slechts één man van hun transport overleeft de oorlog.
Zieke moeder
Omdat zij hun zieke moeder in huis hebben, hoeven Louis en Regina niet mee met het eerste verplichte transport van Joden naar Amsterdam. Voor Eduard, getrouwd met een niet-Joodse, geldt vanwege zijn gemengde huwelijk een “lichter” regiem: er dreigt niet direct deportatie.
Als Louis en Regina hun huis aan de Vischmarkt uit moeten, omdat NSB’er Siebren Alkema en zijn gezin het willen gaan bewonen, trekken ze noodgedwongen in bij Eduard en Marie en hun gezin aan de Koepoortsweg 34.
Ook hun zieke (schoon)moeder Leentje van Kleef-Bremer verhuist mee. Eduards stiefmoeder, Louisa Trompetter-Bremer, en zijn tante Leentje zijn zussen.
Leentje zal op 24 april 1943 in het huis van haar neef Eduard aan de Koepoortsweg aan kanker overlijden.
Louis en Regina van Kleef duiken met hun dochter Jet onder en zullen de oorlog overleven (zie ook Regina, Louis en Jet van Kleef overleefden de oorlog dankzij de moedige mensen bij wie ze mochten onderduiken). Net als Eduard, Marie en hun kinderen.
Na jaren duidelijkheid
Pas in 1947 krijgen Regina en Eduard via het Rode Kruis duidelijkheid over het lot van hun vader en stiefmoeder. Beiden zijn op 4 juni 1943 in Sobibór door de nazi’s vermoord en om het leven gekomen.
Louis komt er na de oorlog achter dat David voor zichzelf en zijn vrouw Louisa een levensverzekering heeft afgesloten. De verzekeringsmaatschappij weigert echter uit te keren, omdat er geen bewijs is van de juiste dag en tijdstip van overlijden.
De huidenhandel aan de Varkensmarkt wordt na de oorlog zonder veel succes weer opgepakt door Davids zoon Eduard en daarna verkocht aan de firma Boom.
Struikelsteen
In 2012 worden voor David en Louise Trompetter struikelstenen gelegd voor Breed nummer 10, het huis waar ze tijdens de oorlog woonden. Kinderstadsdichter Lieke Koen schreef bij die gelegenheid een gedicht met negen verzen. Bij deze steen hoort het vers:
Sluit je ogen en luister naar de bomen.
De ritselende blaadjes laten je dapperheid terugkomen.
Ondanks angst, paniek, vervlogen dromen en wensen
Heerst er vechtlust onder onze sterke mensen.
Januari 2026. Met dank aan Jet van Kleef (kleindochter van David en Louisa Trompetter) en haar zoon Thees Peereboom.
Noot: Enkele foto’s bij dit artikel (de portretfoto van David en Louisa en de foto van David in zijn huidenhandel) zijn verbeterd met een fotoprogramma.





