Regina, Louis en Jet van Kleef overleefden de oorlog dankzij de moedige mensen bij wie ze mochten onderduiken

De Joodse Jet van Kleef was 6 jaar toen de oorlog uitbrak. Haar Joodse opa David Trompetter en haar Joodse stiefoma Louisa Bremer werden in 1943 door de nazi’s vermoord. Haar ouders en zij ontsnapten aan de Holocaust door in 1942 onder te duiken. Jet werd al snel gescheiden van haar ouders. Haar moeder zag ze pas na twee jaar weer terug en haar vader een dag na de bevrijding. Hun huis aan de Vismarkt was inmiddels bezet door een NSB-gezin.
Jet van Kleef wordt op 18 mei 1934 in Hoorn geboren. Haar officiële naam is Henriëtte; ze is vernoemd naar haar grootmoeder van moeders kant. Jet is het enige kind van Regina Trompetter (1910-2005) en Louis van Kleef (1902-1961).
Regina is het oudste kind van de bekende Horinees David Trompetter (1883-1943) en zijn eerste vrouw Henriëtte Koster (1877-1917). In 1912 wordt Regina’s broertje Eduard geboren. Vijf jaar later overlijdt hun moeder Henriëtte. Regina en Eduard zijn dan 7 en 5 jaar. Een jaar later hertrouwt David met Louisa Bremer (1881-1943), die huishoudster in het gezin is. Voor de kinderen is er een gouvernante.
De verhouding tussen Regina en haar stiefmoeder Louisa Bremer is stroef. Ook tussen kleindochter Jet, geboren in 1934, en haar oma Louisa klikt het niet. “We mochten elkaar niet.” Maar op haar opa David is Jet dol. “Ik heb hem maar kort gekend en ik was jong, maar hij was een heel lieve en zachtaardige man”, blikt Jet van Bronswijk-Van Kleef terug.
Een afgedwongen handtekening
David Trompetter en zijn gezin wonen op het Breed 10. Schuin daar tegenover, op de Dubbele BuurtVale Hen (toen Varkensmarkt), heeft David een succesvolle handel in wol en huiden. “Mijn moeder Regina groeide op in grote welstand. Haar broer Eduard en zij hadden bijvoorbeeld een gouvernante”, weet dochter Jet. David was in diverse besturen actief. Het gezin behoorde tot de notabelen van Hoorn.
Dat is volgens kleindochter Jet de reden dat David zich in 1931 verzet tegen het huwelijk van zijn dochter Regina met de uit een arm gezin afkomstige Louis van Kleef. Ze zou door een huwelijk met Louis “beneden haar stand” trouwen.
Regina (dan 20) heeft voor het huwelijk de toestemming van haar vader nodig. David weigert, maar Regina en Louis zetten door. Ze verzoeken de kantonrechter om David voor een dag uit de ouderlijke macht te ontzetten en in zijn plaats het huwelijk rechtsgeldig te maken. De kantonrechter geeft op de huwelijksdag (11 november 1931) met zijn handtekening de vereiste toestemming voor het huwelijk, waarna David de volgende dag de ouderlijke macht weer terugkrijgt.
Louis en Regina gaan na hun huwelijk op de Vischmarkt 5 wonen. In de Vijzelstraat en Wijdesteeg heeft Louis zijn handel in brandstoffen. Drie jaar later, in 1934, wordt hun dochter Jet geboren.
Vooruitziende blik
Behalve haar grootouders van moeders kant, opa en oma Trompetter, heeft Jet van vaders kant haar “opoe van Kleef”. Met opoe Leentje van Kleef-Bremer (een zus van haar stiefoma Louisa Bremer) zijn de verhoudingen warmer. Als Leentje kanker krijgt, komt ze bij Louis en Regina in huis. Daar woont ze tijdens de oorlog.
Louis’ handel is inmiddels een bloeiend bedrijf geworden. Hij heeft een goede hand van beleggen en een scherp oog voor wat er in de wereld gaande is. Over de bedoelingen van de nazi’s heeft hij weinig illusies.
Al snel besluit Louis om zijn goede meubels, huisraad en andere kostbaarheden elders op te slaan. “We hadden naarmate de oorlog vorderde alleen nog maar ouwe troep in huis staan”, weet Jet nog.
Jet voelt de oorlog ook aan den lijve. Als ze na de zomervakantie van 1941 in de tweede klas (nu: groep 4) komt, wordt ze door Duitse soldaten uit de klas gehaald. Ze moet naar een Joodse school, maar die is er niet in Hoorn. Vanaf dat moment kan ze niet meer naar school. Zie ook: Deze steen weent van uit de muur: een herinnering aan de verdwenen Joodse gemeenschap in Hoorn.
Het net om de Joden sluit zich steeds strakker. In september 1941 worden Joden verplicht hun kostbaarheden, geld en bezittingen te laten registreren bij ondernemingen van de Duitse bezetter. De Niederländische Grundstückverwaltung verkoopt de Joodse eigendommen aan niet-Joden.
Louis raakt al zijn onroerend goed kwijt. Het huis aan de Vischmarkt en zes (bedrijfs)panden in de Wijdesteeg en Vijzelstraat komen in handen van de Duitsers.
NSB’er Siebren Alkema, handelaar in brandstoffen en een directe concurrent van Louis van Kleef, koopt ze vervolgens voor een zacht prijsje. Alkema woont schuin tegenover zijn Hoornse concurrent, op de Nieuwendam 21. In totaal betaalt Alkema 7.500 gulden (65.000 euro prijspeil 2024) voor de zeven panden. Louis is woedend. Alkema is niet alleen een fanatiek NSB’er, maar ook lid van de Landmacht, de gevreesde hulppolitie van de Duitse bezetter. Hij neemt het bedrijf van Louis over.
Duitse inval
Begin 1942 is er een Duitse inval bij het gezin Van Kleef op Vischmarkt 5. Veel kostbaarheden vinden de Duitsers niet, behalve het paarlen doosje met de melktandjes van Jet en een gouden armbandje en kettinkje van Jet. Zelfs de gouden ketting die haar zieke opoe Leentje om haar hals heeft en haar trouwring nemen de Duitsers mee.
Dan komt het bericht dat ze binnen een week hun huis uitmoeten. De NSB’er Siebren Alkema, gaat er met zijn gezin wonen. Officieel wordt hij in december eigenaar van het pand, waarvoor hij contant betaalt. Als reden geeft hij na de oorlog na zijn arrestatie tijdens een verhoor op, dat hij “geen concurrent-brandstoffenhandelaar kort bij mij in de buurt” wenste. Hij voelde zih “dus wel gedwongen” alle panden van zijn concurrent te kopen.
Het hele gezin Van Kleef verhuist naar Koepoortsweg 34, waar Regina’s broer Eduard en zijn niet-Joodse vrouw Rie en hun dochtertje Angenieta wonen. Ook de doodzieke opoe Leentje van Kleef-Bremer gaat mee. Vanwege het gemengde huwelijk van Eduard geldt voor hem een lichter regiem en hoeft hij zich vooralsnog niet in Amsterdam te melden voor deportatie naar Westerbork.
Uiteindelijk zal Eduard wel in Westerbork terechtkomen als gemengd gehuwde. Maar deze groep wordt op last van de machthebbers in Duitsland ook weer vrijgelaten.
De Joden in Hoorn hebben dan al te horen gekregen dat zij in april 1942 verplicht naar Amsterdam moeten vertrekken. Van daaruit worden ze op transport gesteld naar Westerbork.
Louis besluit dat hij gaat onderduiken, want van de Duitsers valt voor Joden niks goeds te verwachten, weet hij.
Zijn schoonouders weigeren echter onder te duiken. David en Louisa Trompetter stappen op 20 april 1942 samen met ongeveer zestien andere Joden uit Hoorn op de trein. In Amsterdam komen David en Louisa samen met een onbekende terecht in een eenkamerappartement in Amsterdam aan de Amstel 163-1. “Dat moet voor de altijd actieve David een vreselijke tijd geweest zijn”, denkt achterkleinzoon Thees.
Jet wordt Corrie
Het eerste onderduikadres van Louis en Regina is in Hoorn. Bij bakkerij Bergsma, op de hoek van het Breed en het Achterom, bivakkeren ze in de kelder. Voor Jet wordt direct een ander onderduikadres gezocht. Haar vader vertelt haar:
Je gaat een tijdje weg, je hoeft niet bang te zijn. Je wordt weggebracht door kennissen van ons en wij komen er zo snel mogelijk achteraan.
Verdrietig is Jet wel. Huilend loopt ze vanaf de Koepoortsweg met haar koffertje met haar pop erin, met twee vreemde mannen mee naar het station in Hoorn. In de trein vertellen zij haar van een afstand wat ze moet doen.
In Haarlem wordt Jet door weer twee andere vreemde mannen van het verzet naar tante Truus en oom Dirk gebracht, die zelf een (aangenomen) dochter hebben. Daar krijgt Jet een andere naam: Corrie Koning.
Een keer per maand komt haar tante Rie uit Hoorn langs. Die brengt kleren en briefjes van haar ouders mee. Het liefst wil ze dan mee terug naar Hoorn, want Jet mist haar ouders verschrikkelijk.
Van tante Rie hoort Jet dat opoe Leentje in april 1943 is overleden. Later zal ze horen hoe ze haar vader op zijn onderduikadres hebben moeten vastbinden om te voorkomen dat hij achter de rouwkoets met de kist van zijn moeder aan zal gaan. Die vreselijke maatregel blijkt nodig. De begraafplaats is afgezet door de Duitsers in de hoop dat de trieste gebeurtenis ondergedoken nabestaanden zal lokken.
Ook hun zieke (schoon)moeder Leentje van Kleef-Bremer verhuist mee. Eduards stiefmoeder, Louisa Trompetter-Bremer, en zijn tante Leentje zijn zussen.
Leentje zal op 24 april 1943 in het huis van haar neef Eduard aan de Koepoortsweg aan kanker overlijden.
Louis en Regina van Kleef duiken met hun dochter Jet onder en zullen de oorlog overleven (zie ook Regina, Louis en Jet van Kleef overleefden de oorlog dankzij de moedige mensen bij wie ze mochten onderduiken). Net als Eduard, Marie en hun kinderen.
Verstopt in een postzak
Ook op het onderduikadres van tante Truus en oom Dick in Haarlem is het voor Jet niet veilig. Als er een huiszoeking komt, moet Jet een halve dag onder de grond zitten. “Dat was ontzettend angstig.”
Eerst woont ze met haar “onderduikouders” in de Caninefatenstraat in Haarlem, later moeten ze verplicht verhuizen omdat het huis wordt gevorderd door de Duitsers.
Ook op het nieuwe adres nabij het Nassauplein is het niet veilig. De buren hebben argwaan; ze zijn ervan overtuigd dat er iets niet klopt bij hun nieuwe buren. Na een verblijf van bijna twee jaar in Haarlem, zorgt tante Rie uit Hoorn dat Jet daar wordt weggehaald. Het is omstreeks september 1944, vlak voor Dolle Dinsdag.
Verstopt in een postzak wordt ze samen met drie Joodse jongens met een postauto van de PTT opgehaald. Jet is verrast als ze de vader van een schoolvriendinnetje herkent. Het is Dick Bakker, die bij de PTT werkt. Pas heel veel later zal ze horen dat Dick Bakker (schuilnaam: Oom Barend) een van de kopstukken van het verzet in West-Friesland is.
Van adres naar adres
Via IJmuiden komt Jet terecht bij een gezin in Zwaag. Ze hebben daar geen kinderen en zijn er ook niet aan gewend. “Ik was 10 jaar en mocht helemaal niks.”
Al snel wordt ze door een andere bekende Hoornse verzetsman, Henk Kleipoel, naar de familie Koedoder in Blokker gebracht. “Henk Kleipoel was stug, maar ik kon goed met hem opschieten”, vertelt Jet.
Er breekt een onrustige tijd aan waarin Jet als een postpakketje van adres naar adres gaat. In een karretje onder een zeil achter de fiets van verzetsman Henk Kleipoel. Naar Niek en Afra Hoogland in Benningbroek bijvoorbeeld. Daar mag ze gelukkig wel naar buiten en met een buurmeisje spelen.
Toch kan ze ook hier niet blijven, omdat het te gevaarlijk is. Het volgende adres is in Oudendijk, waar een zus van tante Rie woont. Hier mag Jet zelfs naar school. Na een poosje verhuist Jet opnieuw. Kort voor de bevrijding komt ze terecht op de Drieboomlaan, waar haar moeder ondergedoken zit bij de familie Groen. Nu zijn moeder en dochter weer samen.
Gewond en gevlucht
Jets vader intussen zwerft van adres naar adres en is vaak te vinden in Zwaag. Hij is ondergedoken bij de familie Zwaan, maar komt ook vaak schuilen bij Henk Knol-Hoogland. Het leidt zelfs tot de arrestatie van tuinder Henk Knol, die ook postbode is.
In maart 1945 wordt Knol samen met acht andere Zwagers bij een razzia opgepakt door de Duitsers. Ze beschuldigen hem van het onderduik bieden aan Louis van Kleef. Na drie weken worden alle arrestanten uit de gevangenis in Alkmaar vrijgelaten bij gebrek een bewijs.
Louis verblijft in schuurtjes op het land van de tuinders in Zwaag en zit zelfs boven op de wapens van het verzet. Kort voor de bevrijding moet hij vluchten, door het land en over sloten en hekken. Hij wordt diverse keren beschoten, maar slaagt erin naar Schellinkhout te ontkomen.
Dan breekt de dag van de bevrijding aan. Regina kan het niet geloven en durft nauwelijks de deur uit. Regina en Jet krijgen bericht dat Louis de volgende dag op de Kaasmarkt (nu: Roode Steen) zal staan. En dat klopt. Blootsvoets en bebloed kan hij na drie lange jaren zijn gezin weer in de armen sluiten. Voor Jet is het nog even wennen dat zij weer haar eigen naam mag gebruiken. Als iemand haar aanspreekt met: Hé, Jet, wil ze haar al corrigeren en zeggen dat ze Corrie heet. Nog net op tijd bedenkt ze zich.
Louis, Regina en Jet krijgen een kamer in hotel De Doelen aangeboden. Ze bivakkeren er tussen de Canadezen. Jet is het enige kind en wordt goed verwend door de Canadese bevrijder. Vooral de chocola, een zeldzame luxe in het net bevrijde Nederland, valt in de smaak.
Maar Louis wil naar huis. Er vinden diverse gesprekken met de gemeente plaats. In het kader van rechtsherstel zullen de Joden hun bezit terugkrijgen, maar dat gaat Louis niet snel genoeg.
Na een paar weken gaat Louis met een vriend, Henk van Heezen, op een avond naar de Vischmarkt. Jet is mee. Het huis is verlaten en verzegeld met geel lint. De NSB’er Siebren Alkema is na de bevrijding gearresteerd en zit gevangen in de Krententuin op Oostereiland.
Louis bedenkt zich geen moment. Hij verbreekt de gele afzetting en klimt door het schuifraam aan de straat naar binnen. Hij gooit al het aanwezige meubilair naar buiten in de tuin en steekt het in de fik. De gebeurtenis maakt grote indruk op Jet.
De dag erna trekken Louis en Regina in hun huis met hun eigen goede meubilair dat de hele oorlog opgeslagen had gelegen. Louis hervat zijn eigen handel in brandstoffen en nu is hij het die de handel van zijn concurrent overneemt. Deze zit gevangen in afwachting van zijn proces. In mei 1947 wordt Alkema veroordeeld tot 2 jaar en 3 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Siebren Alkema zet daarna zijn eigen zaak weer voort.
Het zal nog tot 1947 duren, dat Louis weer eigenaar is van zijn woning. De officiële teruggave van de panden in de Vijzelstraat (1948) en Wijdesteeg (1949) laat nog veel langer op zich wachten.
Intussen doet Louis verwoede pogingen om erachter te komen wat er met zijn schoonouders is gebeurd. Louis en zijn dochter Jet gaan diverse keren naar het Bungehuis aan de Spuistraat in Amsterdam, waar informatie over het lot van de weggevoerde Joden is te krijgen.
Louis kan zijn ongeduld soms nauwelijks bedwingen. Jet herinnert zich de hokjes van de spreekkamers en het lange wachten. Uiteindelijk kwam er na een jaar zekerheid.
Op 26 mei 1943 zijn David en Louisa door de nazi’s op transport gesteld naar Westerbork. Enkele dagen later, op dinsdag 1 juni 1943, zijn beiden gedeporteerd naar Sobibór, samen met ruim 3.000 lotgenoten.
Na een reis van drie dagen zijn ze op 4 juni 1943 aangekomen in dit vernietigingskamp in Oost-Polen. Nog dezelfde dag zijn ze daar door de nazi’s vermoord in een van de zes gaskamers.
“Mijn moeder was er kapot van”, weet Jet van Kleef nog.
In 1956 trouwt Jet met Mattheus (Thees) Peereboom. Na het overlijden van Louis in 1961 zet zijn schoonzoon Mattheus het bedrijf voort. Ook bij Alkema komt een nieuwe generatie aan het roer. Hier komt jongste zoon Wim Alkema in de zaak. Vanaf dat moment zijn de verhoudingen tussen de twee concurrenten weer genormaliseerd, weet Jet.
De oorlog heeft grote impact gehad op het leven van haar ouders. Louis stierf in 1961 tijdens een autorit aan een hartaanval. Jet is ervan overtuigd dat de oorlogsperiode en de spanningen mede debet zijn aan zijn vroege overlijden.
Regina overlijdt in 2005 in verzorgingshuis Westerhaven in Hoorn, waar zij de weduwe van NSB’er Siebren Alkema weer ontmoet.
Zelf kan Jet goed praten over haar oorlogservaringen. In 2010 werkt ze mee aan een kinderboek over onderduiken in West-Friesland. In 2008 is ze te zien in een videoproductie van uitgever Peter Sasburg over haar onderduiktijd.
Ze denkt niet met angst terug aan haar eigen oorlogservaringen. “Ik werd eigenlijk pas bang toen ik zelf (in 1957, 1959 en 1965) drie kinderen kreeg. Toen kwam de angst dat dit weer kan gebeuren.”
Januari 2026. Met dank aan Jet van Bronswijk-Van Kleef en Thees Peereboom voor het delen van hun herinneringen en foto’s.
Noot: De foto van Louis en Regina van Kleef is verbeterd met behulp van een fotoprogramma.











