Jo Teunissen overleefde drie concentratiekampen

Jo Teunissen na de oorlog (links) voor de klas (midden) en met zijn gezin (rechts) in 1946 in Sneek. Boven Jannetje en Jo Teunissen en oudste dochter Maartje met de tweeling Benno en Julia. Onder van links naar rechts: Tini, Jaap, Hermie en Corrie. Foto’s: familie Teunissen.

Johan Teunissen (1904), roepnaam Jo, is 37 als de oorlog uitbreekt. Hij is getrouwd en vader van vijf kinderen. De onderwijzer uit Maassluis sluit zich al in het najaar van 1940 aan bij verzetsgroep het Geuzenleger. Zij saboteren het Duitse oorlogsgeschut, spioneren en verspreiden fel anti-Duitse pamfletten. Op 16 januari 1941 wordt Johan in Maassluis opgepakt door de Duitse politie. Dat is het begin van een verblijf van ruim vier jaar in gevangenschap. Eerst in het beruchte Oranjehotel in Scheveningen en daarna in drie Duitse concentratiekampen. Teunissen schrijft nauwgezet op wat daar gebeurde. In 1950 vestigt het gezin zich in Hoorn. De erkenning voor zijn verzetswerk komt pas ver na zijn dood in 1968. In 1981 ontvangt zijn zoon Jaap (1938) postuum het verzetsherdenkingskruis voor zijn vader uit handen van Prins Bernhard. In 2002 verschijnen Johans kampherinneringen als boek.

De Geuzen zijn de eerste verzetsgroep van Nederland. Al enkele dagen na de capitulatie in 1940 verschijnt een handgeschreven eerste Geuzenbericht van Schiedammer Bernard IJzerdraat. Enkele maanden later zijn er overal in het land geuzengroepen die zich aansluiten bij het Geuzenleger, vooral in de regio Rotterdam. Ze opereren onder volstrekte geheimhouding. Ze vormen een tijdelijke organisatie van alle Nederlanders “die ons land en volk willen bevrijden van de Duitsche overheersching en van de terreur en invloed van de NSB en andere Nederlandsche Nationale Socialistische Organisaties”. Het Geuzenleger kent geen rangen en standen of politieke kleur. De leden verbinden zich aan strikte geheimhouding en zullen elkaar onder geen enkele omstandigheid verraden. De Geuzen opereren in groepjes van ongeveer tien. Jo Teunissen maakt deel uit van het Geuzenvendel Maassluis.

Van links naar rechts: Pamflet over de oprichting van het Geuzenleger, pamflet met bericht over beloning en overzicht gearresteerde Geuzen uit Maassluis.

De arrestatie

De Geuzen boeken successen. Zeven keer slagen ze erin telefoonlijnen van het Duitse leger onklaar te maken. Er is de bezetter veel aan gelegen om de daders te pakken. De burgemeester van Vlaardingen looft een beloning uit van duizend gulden uit: in prijzen van nu is dat bijna 10.000 euro.

In november 1940 worden enkele jonge Geuzen gearresteerd. In december 1940 wordt Sjaak Boezeman, leider van het Geuzenvendel Maassluis opgepakt. De Duitsers zijn er met gewelddadige verhoortechnieken in geslaagd om het stilzwijgen van enkele arrestanten te doorbreken. Teunissen verwijt hen niks. Wel heeft hij diepe bewondering voor zijn verzetskameraad Sjaak Boezeman die zijn zwijgen en martelingen met de dood heeft moeten bekopen. Op 9 januari 1941 wordt Boezeman na zware martelingen dood in zijn cel gevonden. “Hoeveel keren kwam hij ’s avonds in het halfduister nog even bij me thuis om in de donkere gang een en ander af te spreken en te bepraten.”

Op 16 januari 1941 wordt Jo door de Sicherheitspolizei gearresteerd. Hij is niet de enige. Die dag en de volgende dag worden in totaal dertien personen van de groep Maassluis gearresteerd. Dan gaat het met een overvalwagen richting de gevangenis in Scheveningen.

In het beruchte Oranjehotel in Scheveningen komt Teunissen in cel 589 terecht. Het grote piekeren begint. Weten ze het thuis al? Hoe zal de bevolking van Maassluis reageren? Wat zal er met zijn gezin gebeuren? Er is niets om hem van zijn zorgen af te leiden. Hij heeft alles moeten inleveren, inclusief potlood en papier. Dolblij is hij als hij tijdens het luchten een spijker vindt. Hij slaagt er met veel geduld in een steen uit de muur los te wrikken, zodat hij contact krijgt met zijn buurman. Als hij later leraar is in Hoorn zal hij bij de eerste kennismaking met een klas een spijker tevoorschijn toveren en duidelijk maken dat in de klas zijn wil wet is. Deze woorden worden gevolgd door het doorbreken van de spijker.

Cel in Oranjehotel Scheveningen. Foto: Christa van Hees
Cel in Oranjehotel Scheveningen. Foto: Christa van Hees

Ook Jo wordt verhoord, drie tot vier maal. Er wordt tijdens zo’n verhoor meer geschopt dan geslagen, schrijft hij in zijn herinneringen. Op 24 februari 1941 begint in Den Haag in het gebouw van de Hoge Raad het eerste proces tegen 43 Geuzen uit Vlaardingen. Achttien van hen worden ter dood veroordeeld. Drie minderjarige leden worden bij de uitvoering vervangen door drie februaristakers. Op  13 maart 1941 worden op de Waalsdorpervlakte achttien verzetsstrijders geëxecuteerd, de eersten in Nederland. Via de buizen in het Oranjehotel verspreidt het bericht zich razendsnel. In de gevangenis in Scheveningen wachten de overige Geuzen – ook  Jo – in toenemende spanning op hun proces.

Na zes weken krijgt hij voor het eerst bezoek. Met zijn vrouw Jannetje en een meegekomen vriend mag hij een kwartiertje contact hebben. Hij vraagt Jannetje om boeken. Na een paar dagen arriveren er drie boeken, een foto van vrouw en kinderen en een brief. ’s Avonds komt er ook nog een bijbel. Het geloof brengt voor Jo veel verlichting.

Het proces tegen 43 Geuzen in het gebouw van de Hoge Raad in Den Haag. Foto: Collectie Beeldbank NIOD.
Het proces tegen 43 Geuzen in het gebouw van de Hoge Raad in Den Haag. Foto: Collectie Beeldbank NIOD.

Gedeporteerd naar Buchenwald

Op 7 april 1941 wordt een grote groep gevangen, wel tweehonderd man, geheel naakt onderzocht door een SS-arts. Een dag later, op 8 april 1941, gaan 157 gevangenen op transport. Onder hen de boomlange Jo Teunissen (1.98 meter) met grote handen.

Na twee dagen en twee nachten sporen arriveert de trein in Weimar. Van daaraf moeten de mannen, opgejaagd door SS ‘ers, dravend de negen kilometer afleggen naar hun eindbestemming: Konzentrationslager (KZ) Buchenwald. Onderweg wordt er geslagen en getrapt en worden de mannen afgeranseld. Na de poort zien ze links en rechts meer dan manshoge prikkeldraadversperringen en borden met doodskoppen.

De gevangenen uit Scheveningen komen terecht in Block 14, het blok voor politieke gevangenen. Met 160 man hebben ze de beschikking over 120 vierkante meter leefruimte, feitelijk niet meer dan een halve vierkante meter, rekent Teunissen uit. Ze worden van kop tot teen kaalgeschoren en geknipt. “Geen haar mag op het lichaam blijven.” Daarna volgt desinfectie in een grote kuip met lysol (desinfecterend middel) waar iedereen kopje onder moet . “Het bijt en prikt ontzettend, omdat velen onder de sneetjes, schrammen en rauwe plekken zitten”. Op hun wit-blauwe kamppak, op de linkerborst en de rechterbroekspijp zit de rode driehoek en een nummer. De rode driehoek geeft aan dat ze politieke gevangenen zijn. Van nu af aan bestaan er voor de kampleiding geen namen meer, slechts nummers. Jo is gevangene 5960.

Poort van Buchenwald (foto Pascal Rehfield) en registratie van Johan in KZ Buchenwald.
Poort van Buchenwald (foto Pascal Rehfield) en registratie van Johan in KZ Buchenwald.

In het kamp verblijven zo’n 15.000 gevangenen. Er heerst een streng regiem. ’s Morgens om 4 uur opstaan, 5 uur aantreden voor het appèl, werken van 5.30 uur tot 18.00 uur met drie kwartier eetpauze en om 18.00 uur opnieuw appèl, dat vaak een uur tot anderhalf uur duurt.

Thuis in Maassluis wil dochter Tini ook actief worden in het verzet, als koerierster bijvoorbeeld. Moeder Jannetje vindt het niet goed. “Eén weg is meer dan genoeg”, is haar reactie. Het zijn vooral Tini (1929) en later Jaap (1938) die hun moeder helpen de oorlog door te komen. Het gezin dat zonder inkomsten zit, wordt door bekenden geholpen. Later krijgen ze hulp van dominee Frits Slomp, medeoprichter van de Landelijke Hulp aan Onderduikers en na de oorlog predikant in Blokker.

Om Jo pakketjes met levensmiddelen en medicijnen te kunnen sturen, wordt Jannetje gedwongen huisraad te verkopen.

Als lid van het commando SS-huisvestingsonderdeel hebben de driehonderd man, onder wie Teunissen, de taak kazernes te bouwen. Het is zware stenen sjouwen, cement lossen, wegen aanleggen en egaliseren met schop en pikhouweel. In weer en wind, in vrieskou en bloedhitte, in stromende regen, striemende hagel of modder. En altijd onder toezicht van SS’ers die gewapend met geweer of stok klaar staan om bij het minste of geringste te slaan of te schoppen of erger. Teunissen beschrijft het kampleven zo beeldend dat het is alsof je er zelf bij bent. Teunissen zal ruim een jaar in Buchenwald blijven.

Van boven naar beneden: Appèl, uitkleden in de open lucht en slaapbarakken in Buchenwald. Foto’s: Beeldcollectie NIOD, Verzetsmuseum Amsterdam.
Van boven naar beneden: Appèl, uitkleden in de open lucht en slaapbarakken in Buchenwald. Foto’s: Beeldcollectie NIOD, Verzetsmuseum Amsterdam.

Naar KZ Gross-Rosen, het negentigdagenkamp

Op 27 april 1942 wordt Teunissen met ongeveer tweehonderd anderen plotseling op transport gezet. Johan wordt medisch goedgekeurd voor zwaar werk, waarschijnlijk vanwege zijn grote handen. Zijn nieuwe bestemming is het tot op de dag van vandaag nauwelijks bekende KZ Gross-Rosen in Neder-Silezië (nu Polen). Na een treinreis van twee dagen en twee nachten komen de mannen strompelend aan in Kamp Rosen, een klein kamp.

Al direct krijgen ze te horen dat het er hier heel wat strenger aan toe gaat dan in Buchenwald. De bijnaam van het kamp is: negentigdagenkamp. Dat is de hoeveelheid dagen die kampbewoners het maximaal uithouden. Teunissen en zijn makkers komen er al snel achter dat dit geen verzinsel is. Na een maand is 50 procent van de bewoners gesneuveld, na twee maanden 80 procent en na drie maanden zijn er van iedere honderd man misschien nog drie of vier over. “Van ijzer en staal moet men zijn, of een gelukskind, om hier te kunnen overleven”, schrijft Teunissen.

De mannen die tot dit kamp zijn veroordeeld, moeten werken in de steengroeve van het SS-bedrijf Deutsche Erd- und Steinwerke. Het werk is zwaar en de hygiënische toestanden zijn onbeschrijflijk. De mannen vervuilen, de handen vol blaren en kloven. Als het regent worden ze nauwelijks droog en hun kleren al evenmin. Ze moeten werken in hetzelfde natte pak van de vorige dag en de dagen daarvoor.

Dan overkomt Jo een ongeluk dat zijn “geluk” blijkt te worden. Hij raakt gewond aan zijn voet. Als de pijn na enkele dagen ondraaglijk wordt, komt hij terecht in de ziekenboeg. Daar, onder barbaarse omstandigheden, wordt hij aan zijn etterende wond geopereerd. Een hem goed gezinde verpleger probeert de geheel verkeerd geopereerde voet weer op te lappen.

Het enige Rode Kruispakket dat Jo in dit kamp ontvangt én deelt, levert hem vrienden op. Zij zorgen ervoor dat Teunissen in aanmerking komt voor een invalidentransport naar Dachau. Jo weegt nog maar 50 kilo. De laatste dagen die hij in Gross-Rosen doorbrengt zijn een aaneenschakeling van strafmaatregelen, waarbij ook doden vallen. Johan overleeft het driemaandenkamp; hij zal er bijna vier maanden doorbrengen.

Werken in de steengroeve bij Gross-Rosen, maar weinigen overleven het zware werk en de slechte omstandigheden in het kamp. Foto’s: www.polska-org.pl
Werken in de steengroeve bij Gross-Rosen, maar weinigen overleven het zware werk en de slechte omstandigheden in het kamp. Foto’s: www.polska-org.pl

Naar Dachau

Na een nieuwe ronde van desinfectie en een periode van quarantaine, vertrekken er 120 man voor een invalidentransport naar Dachau nabij de Zuid-Duitse stad München. In een van buiten verzegelde beestenwagon, zonder enige voorziening en zonder frisse lucht, zijn de patiënten vijf nachten en vier dagen onderweg. Als er door bedorven voedsel dan ook nog diarreepatiënten zijn, wordt de toestand ondraaglijk. Bij aankomst in Dachau, op 26 augustus 1942, zijn er na het verbreken van de zegels en het openen van de deuren 43 lijken en 77 overlevenden. Jo behoort bij de overlevenden. Hij is bovendien een van de gelukkigen die in staat worden geacht te werken. De in de ogen van de nazi’s hopeloze gevallen gaan direct naar de gaskamers.

Voor de nieuw aangekomenen zijn in blok 23 twee bedden voor drie man beschikbaar. Veel gewonden hebben vuil afscheidende wonden en/of lijden aan diarree. “Men kan zich geen voorstelling vormen hoe ’s morgens de slaapzaal en ook de dagzaal, waar ook bedden staan, eruit zien…..”.

Tijdens de schoonmaak van vijf tot negen uur s’morgens worden alle bewoners naar buiten gejaagd. Als er gevraagd wordt naar helpers die wonden kunnen verbinden, meldt Jo zich aan en hij wordt aangenomen.

Uit de kampadministratie blijkt dat Johan op 26 augustus 1942 in Dachau arriveerde met slechts een onderbroek, vier boeken én papier (bron: Arolsenarchieven)

Verpleeghulp en chirurg

Jo wordt verpleeghulp en is dagelijks van acht tot twaalf en van twee tot vijf bezig met verbinden, diarreepatiënten controleren, de dood vaststellen en lijkenbriefjes invullen. Intussen heeft ook zijn eigen wond dagelijks verzorging nodig, zozeer zelfs dat amputatie dreigt. Dankzij de Rode Kruispakketten met medicamenten die hij van thuis krijgt, maakt hij vele “vrienden”. Hij wordt hij officieel verpleger met de zorg voor tweehonderd tot tweehonderdvijftig patiënten.

Op zekere dag heeft hij een patiënt met een kwaadaardig ontstoken vinger. Het vingertopje moet geamputeerd worden. Op de operatiezaal vindt de dienstdoende arts dat verpleger Jo dat best zelf kan. De operatie lukt goed en er blijft slechts een klein litteken over. De naam van Jo als operateur is gevestigd. Hij zal in de loop der jaren zeker vijftig tot zestig ontstoken vingers inkorten.

Jo’s patiëntenbestand wordt steeds uitgebreider. Er komt een aparte tyfusbarak en de ene na de andere besmettelijke ziekte doet zijn intrede: tyfus, difterie, buikpest, roodvonk, gezichtsroos, angina etc. Van buitenaf komt het gevaar van de geallieerde bombardementen.

Overgeplaatst naar SS-bedrijfsbureau

Als Jo hoort dat er op kantoor een baan vrijkomt vraagt hij overplaatsing aan. Hij komt terecht op het SS-bedrijfsbureau. De SS’er die daar de baas is, heeft het goed voor met Jo en zijn kameraad Van Halm. Vooral als hij erachter komt dat de twee zijn werk met gemak en foutloos kunnen doen. Ze krijgen beter eten én – wat geen gewone gevangene is toegestaan – ze mogen tijdens werktijden roken.

De twee Nederlanders maken kennis met twee andere vrouwen op kantoor, lieve vrouwen uit Dachau. Het wordt Teunissen en Van Halm al snel duidelijk dat de Duitse vrouwen geen idee hebben van wat er in het kamp gebeurt en hoe de gevangenen worden behandeld worden. De twee Nederlandse gevangenen en de Duitse vrouwen raken goed bevriend. Ze slagen er zelfs in een radio te bemachtigen waarmee ze met zijn vieren via de BBC de vorderingen van de geallieerden kunnen volgen.

Om de geallieerden bij bombardementen te laten weten dat het om gevangenen gaat, spreiden de kampbewoners buiten het kamp hun gestreepte jasje als één grote lap op de grond uit.

Dreigende evacuatie 

In de laatste week van april 1945 komt van SS-leider Heinrich Himmler bevel dat het kamp geëvacueerd moet worden en dat er geen gevangene levend in handen van de Amerikanen mag vallen. Vier gevangen, allen Oostenrijkse oud-Spanjestrijders, breken uit om te proberen de Amerikanen te bereiken. Het wordt een zenuwslopende tijd. De SS maakt alles in gereedheid om het hele kamp met ruim 30.000 gevangenen van allerlei nationaliteiten te ontruimen. Ieder uur neemt de spanning toe en iedere morgen gaan alle gevangenen met een hart vol angst naar de appèlplaats. Het bevel van Himmler houdt namelijk in dat het uitmoorden moet gebeuren tijdens het appèl.

En dan, op zondag 29 april 1945, marcheert de eerste Amerikaanse soldaat de poort binnen. De gevangenen zijn uitzinnig van vreugde. De portretten van Hitler, Himmler en Goering worden naar buiten gesmeten en de Amerikanen delen sigaretten en kleine voedselpakketje uit. Intussen rijden er wagens met levensmiddelen en geneesmiddelen het kamp binnen.

Jo heeft voor een keer geen woorden om het tafereel te beschrijven. “Het is bepaald te overweldigend geweest, want ik kan me er zeer weinig van herinneren. Als er gidsen worden gevraagd die Engels of Amerikaans spreken, melden Jo en zijn kameraad zich direct. Ze gaan levensmiddelentransporten begeleiden en mogen daardoor het kamp verlaten. In tegenstelling tot de rest van de kampbevolking, die in quarantaine moet vanwege de duizenden gevallen van tyfus en difterie.

Onmetelijke vreugde bij de gevangenen als op 29 april 1945 de Amerikaanse bevrijders het kamp binnenkomen. Foto’s: Beeldcollectie NIOD-Amsterdam.

Logeren in Dachau

Jo en zijn kameraad Van Halm besluiten op bezoek te gaan bij hun twee Duitse vrouwelijke collega’s van kantoor. Als zij daar aankomen, worden ze met open armen ontvangen. Ze moeten van hun gastvrije collega’s echt bij hen komen logeren. Daar wachten ze op het eerste transport naar Holland. Met een Amerikaanse truck reizen de twee Nederlanders ongeveer een maand na de bevrijding richting het compleet vernielde Mannheim. Vandaar gaat het per trein verder naar Eindhoven; op 1 juni passeren de Hollandgangers de grens. In Eindhoven is er weer een medische keuring, enkele dagen quarantaine, Hollands witbrood en echte thee met suiker en melk. Oud kampgenoten die elkaar al jaren niet hebben gezien ontmoeten elkaar weer.

Op 4 juni 1945 gebeurt wat Johan en zijn kameraden voor onmogelijk hadden gehouden: ze stappen hun eigen huis als vrije mannen in een vrij land binnen.

Op de terugweg naar huis in 1945. Tweede van links Jo Teunissen (foto: familie Teunissen).
Op de terugweg naar huis in 1945. Tweede van links Jo Teunissen (foto: familie Teunissen).
Zijn kampbroek bewaarde Johan Teunissen zijn leven lang. Na zijn dood schonk dochter Tini die aan Comité 40-45 Hoorn (foto: Benno Ellerbroek, kleinzoon van Jo Teunissen)
Zijn kampbroek bewaarde Johan Teunissen zijn leven lang. Na zijn dood schonk dochter Tini die aan Comité 40-45 Hoorn (foto: Benno Ellerbroek, kleinzoon van Jo Teunissen)

Vervreemd

Hoe haar moeder en broer en zussen de thuiskomst van hun man en vader hebben ervaren, weet jongste dochter Hannie (1948) alleen uit de verhalen van haar moeder en zus. Haar vader vindt dat zijn dochter niet bij het verleden moet stilstaan, maar met haar toekomst bezig moet zijn. “Hij liet nooit iets van zijn emoties zien en wilde met ons niet over de oorlog praten. Met de lezingen die hij kort na oorlog hield, heeft hij zijn ervaringen van zich afgepraat, zei hij. Volgens mijn moeder was hij na zijn terugkomst niet te hanteren. Ook weet ik dat hij volledig grijs terugkwam uit de oorlog. ”

Uit het dossier van Stichting 1940-1945 dat in 1965 over de toekenning van een verzetspensioen adviseerde, bleek hoe erg de situatie was: voor Jo én zijn gezin. In een van de vele brieven die Jannetje aan de stichting schreef, vertelt ze: ,,Geheel vervreemd van de kinderen kwam hij terug. Eerlijk gezegd is mijn gezin hierdoor uit elkaar geslagen. Toen in 1945 verschillende Geuzen niet meer terug kwamen, was dat erg voor hun vrouwen, die mij soms benijdden. Maar hun leed en verdriet zal minder erg zijn dan al het leed in ons gezin ten gevolge van de jaren 40-45.”

Advertenties waarmee de lezingen van Jo Teunissen op 30 en 31 juli en op 10 augustus 1945 in Noord-Holland worden aangekondigd.
Advertenties waarmee de lezingen van Jo Teunissen op 30 en 31 juli en op 10 augustus 1945 in Noord-Holland worden aangekondigd.

Weg uit Maassluis

Na de oorlog verhuist het gezin naar Sneek, waar Jo een baan kan krijgen. Daar krijgen Jo en Jannetje in 1946 een tweeling – Benno en Julia – en in 1948 nog een dochter: Hannie. Hun oudste dochter Maartje trouwt met iemand uit Sneek en blijft daar wonen.

In 1950 komt de rest van het gezin Teunissen in Hoorn wonen, aan de Koepoortsweg 95. Jo krijgt een baan bij de toenmalige LTS (Lagere Technische school) aan het Keern 42. Hij geeft er Nederlands, Engels, Duits en wiskunde. Daarnaast geeft Johan veel bijlessen om wat extra te verdienen. Hij is er vanwege zijn eindeloze geduld ook heel geschikt voor.

In Hoorn staat Jo Teunissen bekend als Pikkie Teun. Hij dwingt bij zijn leerlingen ontzag af. Tijdens repetities kan hij ogenschijnlijk de krant lezen, maar door twee gaatjes in die krant ziet hij precies wie er spieken. Hij zegt niks, maar als iedereen zijn werk heeft ingeleverd, verscheurt hij alles. Iedereen moet dan het proefwerk opnieuw maken.

Dochter Hannie, die deze anekdote over haar vader vertelt: “Ook voor ons was hij streng. ‘Afspraak is afspraak, wat je belooft moet je nakomen, wat je opschept eet je op en als je iets wilt hebben ga je er maar voor werken’, vond hij. Hoewel hij in zijn kamptijd met veel geweld in aanraking was geweest, heeft hij naar ons nooit een vinger uitgestoken.”

De periode in Hoorn is voor Jo en Jannetje Teunissen en hun kinderen een verdrietige tijd. In 1952 overlijdt dochter Corrie op 19-jarige leeftijd. Enkele jaren later, in 1959 overlijdt Benno. Hij is nog maar 12 jaar.

LTS in 1949 aan het Keern 42 en Koepoortsweg 95 in 2018. Foto’s: Beeldbank Vereniging Oud Hoorn.
LTS in 1949 aan het Keern 42 en Koepoortsweg 95 in 2018. Foto’s: Beeldbank Vereniging Oud Hoorn.

Vreselijke nachtmerries

 Als hij promotie kan maken, verhuist het gezin in 1961 naar het Zeeuwse Terneuzen. Jo gaat er aan de UTS (Uitgebreide Technische School) les geven. Dat kan hij nog anderhalf jaar doen en dan is het fysiek en mentaal volledig op.

Het gezin verhuist in 1964 naar Medemblik. Johan Teunissen vraagt en krijgt via de Stichting 1949-1945 in 1965 een verzetspensioen op grond van de in 1947 ingestelde Wet Buitengewoon Pensioen. Jo wordt 100 procent invalide verklaard. Hij vond blijkens het dossier zelf dat hij iedereen tot last was.

Dochter Hannie woont in die periode nog thuis. Ze wordt van school thuisgehouden om haar moeder bij te staan, staat in zijn dossier te lezen. “Op het laatst had hij vreselijke nachtmerries, dan zat hij rechtop in bed met verwilderde ogen. In die tijd sliepen mijn moeder en hij niet meer in dezelfde kamer.”

In 1968 komt Jo in het St. Jansziekshuis op (dan nog) de Koepoortsweg terecht. Hij wordt niet meer beter en overlijdt op 10 juli 1968, op 63-jarige leeftijd. Johan Teunissen wordt begraven in het familiegraf op begraafplaats Het Keern, bij zijn jonggestorven dochter en zoon.

Ondanks alle schade die haar vader in de kampen heeft opgelopen, de strenge opvoeding, het verdriet en zorgen in het gezin heeft ze geen rotjeugd gehad, vindt Hannie. “Mijn moeder was heel zachtaardig en mijn vader was een fijne vader: ontzettend slim, heel geduldig en met een open geest. Iedereen was bij ons thuis altijd welkom, ongeacht kleur of nationaliteit. Zelfs over Duitsers dacht hij genuanceerd. Ik ben heel trots op hem.”

Het inmiddels geruimde familiegraf van Johan en Jannetje Teunissen en hun kinderen Corrie en Benno op begraafplaats Het Keern. Bij het geboortejaar van Johan is een vergissing gemaakt. Dit moet 1904 zijn. Foto: familie Teunissen.
Het inmiddels geruimde familiegraf van Johan en Jannetje Teunissen en hun kinderen Corrie en Benno op begraafplaats Het Keern. Bij het geboortejaar van Johan is een vergissing gemaakt. Dit moet 1904 zijn. Foto: familie Teunissen.

Postuum erkenning

In 1981 komt er postuum erkenning voor het verzetswerk van Johan. Op 14 december 1981, één dag voor het overlijden van Jannetje, ontvangt zoon Jaap uit handen van Prins Bernhard het verzetsherdenkingskruis.

Op 14 december 1981 ontvangt zoon Jaap uit handen van Prins Bernhard postuum het verzetsherdenkingskruis voor zijn vader. Deze nationale onderscheiding hangt samen met de foto in een lijstje dat de familie zorgvuldig bewaart. Foto’s: familie Teunissen.
Op 14 december 1981 ontvangt zoon Jaap uit handen van Prins Bernhard postuum het verzetsherdenkingskruis voor zijn vader. Deze nationale onderscheiding hangt samen met de foto in een lijstje dat de familie zorgvuldig bewaart. Foto’s: familie Teunissen.

Boek met kampherinneringen

In 2002 bracht uitgeverij Kok Kampen op initiatief van dochter Tini de kampherinneringen van haar vader in boekvorm uit: Mijn belevenissen in de Duitse concentratiekampen door Joh. Teunissen. In het voorwoord schrijft zij:

Vader,

Na vele jaren geworsteld te hebben met de herinneringen aan de jaren ’40-’45 en daarna, en het feit dat tijdens uw leven vaak geen erkenning was voor wat u, met vele anderen heeft moeten doorstaan, laat ik via uw eigen geschreven ervaringen weten hoe groot uw inzet was voor ons aller vrijheid. Dit ben ik u alsnog verplicht.

Uw dochter Tini

Het boek dat in 2002 verscheen.
Het boek dat in 2002 verscheen.

Hoorn, september 2026 

Bronnen: Politiearchief Maassluis, stadsarchief Vlaardingen, Arolsenarchieven, boek: “Mijn belevenissen in de Duitse concentratiekampen”, Nationaal Archief-Stichting 1940-1945, diverse krantenartikelen en onlinepublicaties, gesprek met Hannie Bakker-Teunissen.

Bernard IJzerdraat en de Schiedamse wortels van verzetsgroep De Geuzen – Stichting Geuzenpenning

Sjaak Boezeman – De Maassluise Geus – #WO2MS

De laatste dagen van het concentratiekamp Dachau | Het Nationaal WOII Museum | New Orleans