Het tragische lot van Louis, Cato en Hansje Agsteribbe

Louis en Cato Agsteribbe-Soesan (foto: familiearchief).

Dit is het verhaal van Louis en Cato Agsteribbe-Soesan uit Hoorn, die samen met hun zes maanden oude zoontje Hansje door de nazi’s zijn vermoord. Cato en Hansje op 11 juni 1943 in Sobibór, Louis omstreeks 31 maart 1944 in Auschwitz-Birkenau. Het is de tragische geschiedenis van een jong Joods gezin. Baby Hansje was nog geen zeven maanden oud toen er in de gaskamers van Sobibór een eind aan zijn jonge leven kwam.   

Wie waren deze jonge mensen, die door de baan van Louis in Hoorn belandden en tijdens de oorlog met elkaar trouwden?

Zowel Louis als Cato komt uit Amsterdam. Louis wordt op 7 december 1912 in Amsterdam geboren. Hij is het eerste kind van Sally en Grietje Agsteribbe-Hamel. Sally is marktkoopman en heeft van maandag tot en met zaterdag een marktkraam in de Dapperstraat. In 1914 krijgt Louis een broertje, Salomon.

Ook Cato komt uit Amsterdam, uit de Transvaalbuurt. Zij is geboren op 16 augustus 1911 en is de oudste. Haar ouders, Isaäc en Rachel Soesan-de Schmitt, wonen in de Pretoriusstraat op nummer 89-III. Isaäc heeft daar op nummer 93 een zaak in electriciteitsartikelen. Na Cato krijgen Isaäc en Rachel nog twee kinderen. In 1915 wordt Evelina geboren. Twee jaar later, in 1917, gevolgd door Abraham.

Een baan in Hoorn

Louis wordt winkelbediende. Als hij een baan in Hoorn krijgt, verhuist hij van Amsterdam naar Hoorn. Op 30 maart 1940 gaat hij een kamer huren in een huis op de Venenlaan nummer 13. Hij is daar volgens de gemeentelijke woningadministratie zeker niet de enige kostganger. In de tijd dat Louis er woont, zijn er onder andere kostgangers uit Groningen, Delft en Bussum.

Louis werkt in Hoorn in een manufacturenzaak, vermoedelijk in het Joods warenhuis van S.I. de Vries op de hoek van de Nieuwsteeg en de Gouw. Ze verkopen daar kleding, manufacturen, stoffen en meubels. De zaak is een begrip bij de inwoners van Hoorn, Joods of niet-Joods. Veel Joden zijn er niet meer in Hoorn, hooguit enkele tientallen. De Joodse synagoge aan de Italiaanse Zeedijk wordt alleen nog maar gebruikt bij bijzondere gelegenheden. Zie ook: Deze steen weent van uit de muur: een herinnering aan de verdwenen Joodse gemeenschap in Hoorn

Cato werkt in die periode op kantoor.

Joods Warenhuis van S.I. de Vries op de hoek van de Nieuwsteeg en de Gouw (foto: Vereniging Oud Hoorn).
Joods Warenhuis van S.I. de Vries op de hoek van de Nieuwsteeg en de Gouw (foto: Vereniging Oud Hoorn).

En dan gebeurt voor veel Nederlanders het ondenkbare. Nederland raakt in oorlog en wordt onder de voet gelopen door het Duitse leger. Na de schok en de bombardementen op onder andere Rotterdam en Den Helder wordt het weer even rustig.

Maar schijn bedriegt en het nazigedachtengoed treft ook Nederland. Langzaam maar zeker sluit het net zich om de Joden. Na Duitsland moet ook Nederland Judenrein worden.

Kort na de bezetting, in september 1940, zijn Joden niet meer welkom op Amsterdamse markten. Een maatregel die vooral in Amsterdam hard aankomt en ook Louis’ vader treft.

Ook in Hoorn verschijnen borden die Joden buitensluiten, zoals hier op de hoek Grote Noord/Breed (foto: J.D. Osinga).
Ook in Hoorn verschijnen borden die Joden buitensluiten, zoals hier op de hoek Grote Noord/Breed (foto: J.D. Osinga).

In januari 1941 komt er een verbod voor Joden in heel Nederland om bioscopen te bezoeken. Steeds vaker verschijnen borden “Joden niet gewenscht”, ook in Hoorn. In de loop van 1941 raken de Joden steeds meer buitengesloten. Parken, zwembaden en restaurants worden verboden terrein. Joden mogen geen lid meer zijn van niet-Joodse verenigingen en radio’s en fietsen moeten worden ingeleverd.

Joden moeten zich op last van de bezetter bovendien officieel bij hun gemeente laten registreren. Uit de gemeentelijke administratie van Hoorn per 1 februari 1941 blijkt dat ook Louis zich aan dit bevel heeft gehouden.

De oude Jodenbuurt in Amsterdam krijgt in diezelfde maand de nieuwe naam Joodsche Wijk en wordt afgezet met een prikkeldraadversperring. Ook komen er borden met de tekst Juden viertel/Joodsche wijk. De versperring verdwijnt na korte tijd, maar de borden blijven staan.

Joodsche Wijk in Amsterdam (foto: Anne Frank Guide-net.nl).
Joodsche Wijk in Amsterdam (foto: Anne Frank Guide-net.nl).

Naar de Beatrixlaan

De twee geliefden trouwen op 3 december 1941 in Amsterdam. Louis is dan 28 jaar en Cato 30 jaar. Als getrouwde vrouw moet zij haar baan opgeven.

Nog diezelfde dag betrekken Louis en Cato hun huurwoning in de Beatrixlaan 3 in Hoorn. In die periode heet de straat trouwens Parklaan. De Duitse bezetter heeft namelijk alle namen die verwijzen naar de koninklijke familie verboden.

In Amsterdam is de verhuizing van Amsterdammers binnen Amsterdam naar een van de vier door de Duitsers aangewezen Jodenwijken inmiddels in volle gang. De Transvaalbuurt is Jodenwijk 2. Ook de Noord-Hollandse Joden moeten verplicht naar Amsterdam verhuizen. Zij mogen alleen een koffertje met handbagage meenemen.

De Beatrixlaan in 2018
De Beatrixlaan in 2018.

Verplicht naar Amsterdam

Op 20 april 1942 – de verjaardag van Hitler – zijn de Hoornse Joden aan de beurt. Samen met een groepje andere Joden vertrekken Cato en Louis die dag met de trein van 12.18 uur uit Hoorn naar Amsterdam. Cato is dan ongeveer 2 maanden zwanger.

Louis en Cato trekken in bij de ouders van Cato in de Pretoriusstraat. Het leven in de overbevolkte Joodse wijken is geen pretje. Of vader Isaäc Soesan dan nog in Amsterdam is, is onduidelijk. Volgens de gegevens op zijn kampkaart is hij vanwege zijn functie “gesperrt”. Dit betekent dat hij uitstel van deportatie heeft.

Zeker is in elk geval dat Isaäc Soesan op 2 november 1942 op de transportlijst staat voor deportatie naar vernietigingskamp Auschwitz. Direct na aankomst, is hij op 5 november 1942 in de gaskamers vermoord.

De geboorte van Hans

Drie weken later, op 27 november 1942, wordt om 12.20 uur het eerste kind van Cato en Louis in Amsterdam geboren, in een van de kraamkamers van ziekenhuis De Joodsche Invalide in de Kerkstraat. Louis en Cato noemen hun zoon Hans.

Veel tijd krijgen de jonge ouders niet om van hun pasgeboren zoon te genieten. Begin 1943 krijgen Louis, Cato en Hansje een oproep om zich bij de Hollandse Schouwburg aan de Plantage Middenlaan te melden. Dit is het verzamelpunt van waaruit de Joden uit Amsterdam via werkkampen, zoals Westerbork in Drenthe, naar werkkampen in het oosten van Europa worden gestuurd.

Kamp Moerdijk

Louis wordt op 10 februari 1943 naar het bij veel mensen tamelijk onbekende werkkamp Moerdijk (Noord-Brabant) gedeporteerd. Hier, aan de haven aan het Hollands Diep in Moerdijk, is een zogeheten Aussenkommando van concentratiekamp Vught gevestigd. Het is geen groot kamp. In de oude scheepbarakken verblijven ongeveer vijfhonderd gevangenen. Ze worden ingezet bij het graven van tankvallen in Zuid-Holland en in de westelijke hoek van Noord-Brabant. Louis zal er zo’n drieënhalve maand verblijven. Eveneens op 10 februari 1943 worden Cato en Hansje gedeporteerd naar kamp Vught, ook bekend als Konzentrationslager Herzogenbusch .

Kamp Vught en het kindertransport

Op 21 mei 1943 wordt Louis overgeplaatst naar kamp Vught. Als beroep geeft hij op: meubelmakerstoffeerder. In Vught verblijven ook Cato en Hansje. Het kamp is met 8.600 gevangenen overvol. Hoewel ouders en kinderen gescheiden van elkaar worden gehouden, zijn Cato en Hansje nog bij elkaar. Voor baby’s wordt een uitzondering gemaakt.

Omdat er te veel gevangenen zijn, besluit de SS dat alle kinderen van 0 tot 16 jaar weg moeten. Op 5 juni 1943 komt er een brief van de kampleiding, waaruit wel blijkt dat de leiding zich bewust is van het drama dat zich hier voltrekt.

“Tot ons leedwezen moeten wij u op de hoogte stellen van een verschrikkelijk ongeluk dat ons getroffen heeft. Op hoog bevel van elders, moeten alle kinderen van circa 0 tot 16 jaar het kamp verlaten om, zoals men ons mededeelde, in een speciaal Kinderkamp te worden ondergebracht.”

De proclamatie vervolgt met precieze instructies over wie met de kinderen mogen meereizen. Tot en met 3 jaar moeten de moeders mee; kinderen van 4 tot en met 15 jaar moeten door een van de ouders worden begeleid. Dit mogen ook vaders zijn, mits niet tewerkgesteld in de industrie. Als allebei de ouders niet tewerkgesteld zijn, mogen beide ouders mee. Louis mag als tewerkgestelde niet met zijn vrouw en zoontje mee. Het is zelfs de vraag of hij afscheid van ze heeft kunnen nemen.

Kamp Vucht (foto: Jewishgen).
Kamp Vucht (foto: Jewishgen).

Een medegevangene die de kampverschrikkingen heeft overleefd, Roosje Glacer, ziet de circa 1.300 kinderen en hun ouders op zondag 6 juni uit Vught vertrekken. Vele jaren later vertelt ze:

 “Ik zag ze lopen, moeders met baby’s op de arm, huppelende kleuters en oudere kinderen met zakken op hun rug die gemaakt waren van aan elkaar genaaide handdoeken. Zo zijn ze weggegaan. Wel een paar duizend. Iedereen is hier terneergeslagen, vaders huilen. Wat zijn dat voor wandaden?”

De kampleiding kondigt een periode van acht dagen rouw af. Tot 12 juni ’s middags is elke vorm van vermaak verboden.

Transport uit kamp Vucht (foto: Nationaal Herinneringscentrum Kamp Vught).
Transport uit kamp Vucht (foto: Nationaal Herinneringscentrum Kamp Vught).

De laatste reis van Cato en Hansje

Na een verschrikkelijke reis komen de veewagens uit Vught op 7 juni om half vijf ’s morgens in Westerbork aan. De journalist Philip Mechanicus, die sinds november 1942 in Westerbork gevangen zit, schrijft op 7 juni 1943 in zijn dagboek:

“Midden in de nacht, tegen half vijf, is een transport van zeventienhonderdvijftig Joden in veewagens aangekomen: op een honderd mannen na, niet anders dan berooide vrouwen met haar kinderen en zuigelingen. [..] Zij kwamen broodmager, geradbraakt aan, na een reis van tien uur. Ze spuwden vuur en vlam over de gemene behandeling in Vught, de afmatting en de vernedering: des morgens om vier uur op, half vijf appèl, tot zes uur staan, half zeven aan het werk, vaak met honden achter zich aan; met een uur schafttijd tot ’s avonds half zeven, soms half acht. Onder de baby’s zijn verscheidene zieke, roodvonk en mazelen: op mijn zaal is een baby, een krullenbol van nog geen jaar, tussen de andere kinderen neergelegd.”

De volgende ochtend, op dinsdag 8 juni 1943, vertrekt vanuit Westerbork het grootste transport uit de geschiedenis van de deportaties van Nederlandse Joden naar de vernietigingskampen. Verdeeld over 43 veewagons vertrekken vanuit Westerbork 3.017 mensen naar vernietigingskamp Sobibór in Oost-Polen. Onder hen alle mannen, vrouwen en kinderen uit Vught.

Sobibór

Na een uitputtende reis van drie dagen, arriveren de gedeporteerden op het perron van kamp Sobibór waarna ze door de zogeheten Himmelfahrtstrasse verder worden gevoerd. De nieuw aangekomenen krijgen het bevel om zich geheel uit te kleden om een douche te nemen. Er hangen bordjes ‘naar de kassier’ en ‘naar de doucheruimte’. De kleding wordt in een nabijgelegen barak gesorteerd en opgeslagen. Bij de kassier moet Cato haar laatste geld en kostbaarheden afgeven. Naakt legt ze met vijfhonderd andere vrouwen en kinderen het laatste traject af over een pad van vier meter breed en honderdvijftig meter lang: de sluis, ook wel “Der Schlauch”, genoemd.

Halverwege in een kleine barak knipt een Joodse kapper hun hoofdhaar af. Een gang in het midden van het gebouw geeft toegang tot zes gaskamers, aan elke kant drie. Via die gang loopt Cato met Hansje door één van de toegangsdeuren naar binnen. Met tientallen vrouwen en kinderen worden ze opeengepakt in een ruimte van vier bij vier meter.

Daarna worden de deuren hermetisch gesloten. In plaats van water uit in de plafonds aangebrachte nepdouchekoppen komt via de waterleidingbuizen koolmonoxide de ruimte in. Het dodelijke gas wordt geproduceerd door een dieselmotor van een buitgemaakte Russische tank in een aangebouwde ruimte.

Cato en Hansje vinden de dood op 11 juni 1943, vermoord door de nazi’s.

Kamp Sobibór (foto: US Holocaust Memorial Museum).
Kamp Sobibór (foto: US Holocaust Memorial Museum).

Een doodlopend spoor

Louis blijft na het vertrek van Cato en Hansje achter in Vught. Hij krijgt er post en pakjes, waaronder ook een pakket uit Hoorn. Op 18 oktober 1943 wordt Louis op transport gezet naar Westerbork. Een dag later volgt deportatie naar Auschwitz-Birkenau in Polen.

Wat er na aankomst in Auschwitz-Birkenau gebeurt, weten we niet. We moeten het doen met de mededeling op zijn persoonskaart: overleden in Polen op 31 maart 1944.

Van het gezin waar Louis is opgegroeid overleeft niemand de Holocaust. Zijn broer Salomon wordt op 16 juli 1942 vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Daar overlijdt hij nog diezelfde maand: op 28 juli 1942. Ook Louis’ ouders zijn door de nazi’s vermoord. Zij sterven ruim een half jaar later tegelijk in Auschwitz: 12 februari 1943.

Kampkaart-Westerbork-Louis
Treinbord-Westerbork-Auschwitz

Struikelstenen

In 2012 worden voor de deur van Beatrixlaan 3, de woning waar Louis en Cato voor het laatst in vrijheid hebben gewoond, drie struikelstenen geplaatst in aanwezigheid van de naaste familieleden. Kinderstadsdichter Lieke Koen leest een vers van haar gedicht voor dat ze heeft geschreven voor deze gelegenheid.

Sluit je ogen en luister naar de fluisterende stemmen.

Laat het je allerergste woede temmen.

Elke dag wordt ons verteld wat we moeten doen.

We worden behandeld als slaven zonder enkel fatsoen.

Struikelstenen voor Louis, Hans en Cato Agsteribbe voor Beatrixlaan 3 (foto: Hélène de Bruijn Fotografie).
Struikelstenen voor Louis, Hans en Cato Agsteribbe voor Beatrixlaan 3 (foto: Hélène de Bruijn Fotografie).

April 2026, Christa van Hees (met dank aan Marianne Buisman)